zaterdag 2 januari 2016

Achtergrond informatie over het Bijbelboek Job.

Job (bijbelboek)

    Het boek Job is een boek in de Bijbel en wordt zo genoemd naar de persoon over wie het voornamelijk handelt.
    De naam Job bete­kent: "de vijandig behandelde".
    Job was een oprecht en vroom man, een herders­vorst en rijk aan bezittingen. Zeer waarschijnlijk heeft hij geleefd vóór de uittocht uit Egypte en hij behoorde dus niet tot het joodse volk. Hij woonde in Uz, een land dat een paar keer in ongunstige zin in de bijbel voorkomt (Jer. 25 : 20, Klaagl. 4: 21). Zijn vroomheid en godsvrucht komen daardoor nog sterker naar voren.
    De Satan heeft getracht zijn geloof aan het wankelen te brengen door hem, onder de toelating van God, alles te ontnemen en zijn gezondheid aan te tasten. Door deze ingrijpende beproeving lukt hem dit ech­ter niet.
    Het onbegrip van zijn drie vrienden, tegenover wie hij zich rechtvaardigt, veroorzaakt hem veel ziele­strijd. Een vierde vriend toont een beter begrip voor zijn toestand en tenslotte spreekt God zelf tot hem. Hier­tegen heeft hij geen weerwoord; hij leert zich zien in Gods licht, komt tot zelfkennis en berouw en de Here kan Zich weer zegenend met hem bezig houden.

    Indeling

    Het boek kan in vijf delen worden onderverdeeld:

    Job 1-2: Onheil overvalt Job

    Deze hoofdstukken tonen Jobs godsvrucht, handelen over zijn gezin, zijn rijkdommen, de invloed van Satan, zijn onheil en zijn vrienden. Na hoofdstuk 2 wordt de direkte invloed van de Satan niet meer genoemd.

    Job 3-31: gesprekken met Elifaz, Bildad en Zofar

    Deze hoofdstukken geven de gesprekken weer van zijn drie vrienden Eli­faz, Bildad en Zofar.
    In Job 4, 15 en 22 valt Elifaz, de Temaniet,  Job aan en spreekt over de ondervinding. Job antwoordt en verdedigt zich tegenover hem in de hoofdstukken 4,16 en 23.
    In Job 8, 18 en 25 tracht Bildad, de Suhiet, aan te tonen dat in het ver­leden God altijd gestraft heeft die schuldig waren aan begaan onrecht. Job antwoordt en verdedigt zich tegenover hem in de hoofdstukken 9, 19 en 26. In zijn tweede antwoord aan Bildad geeft hij blijk van zijn geloof in de Verlosser en aan de opstan­ding (Job 19:25-26).
    In Job 11, 20 is Zofar, de Naämathiet, zeer streng, wettisch en hard in zijn oordeel. Hij spreekt Job tweemaal toe, terwijl de eerste twee vrienden zich driemaal tot Job richten. Job antwoordt en verdedigt zich tegenover hem in de hoofdstukken 12 en 21.
    Later is de ellendige Job zó met zichzelf bezig, dat hij wel 52 keer spreekt over "ik", "mijn" en "mij" (Job 29).
    Job_vrienden.jpg
    Job en zijn vrienden. Schilderij van Ilja Repin, olieverf op doek (1869).

    Job 32-37: rede van Elihu

    Deze hoofdstukken vermelden alleen de toespraken van zijn jongste vriend, Elihu, de Buziet, die de genade en waarheid aantoont. Hierdoor wordt het hart van lob getroffen en hij heeft geen behoefte er op in te gaan of zich te verdedigen.
    Elihu betekent: "Hij is mijn God."

    Job 38-41: openbaring van God

    De hoofdstukken 38-41 bevatten de indrukwekkende toespraken van God-zelf. Hij spreekt uit een onweder. Hierdoor wordt door Job de majesteit van God erkend en ook zijn recht van handelen en tevens zijn wijsheid. Schuld­bewust buigt hij zich voor God en verfoeit zichzelf.

    Job 42: herstel van Job

    Het herstel van Job, zijn opnieuw verkregen voor­spoed, zijn offerande en zijn voorbede voor zijn vrienden.

    Job en Christus

    Job was in zijn dagen een uniek rechtvaardig en vroom mens. Niettegenstaande dat moest hij vreselijk lijden. 
    Job 1:8 De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. (HSV)
    Datzelfde geldt voor de Heer Jezus. Onze Heer was volmaakt rechtvaardig en vroom, zonder smet van zonde, en moest desondanks lijden (terwille van ons heil en Gods eer).  
    Een deel van Jobs lijden kwam ook over Christus. Jezus onderging ook een deel van het lijden van Job. Bijvoorbeeld, Job en Christus werden beiden bespot en bespuwd: 
    Job 30:9 Maar nu ben ik hun spotlied geworden, en ik ben voor hen tot een [spot] woord.
    Job 30:10 Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan, ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
    Job 30:11 Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd; daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.

    (HSV)

    Bronnen

    Voor de eerste versie van dit artikel is, onder toestemming, gebruik gemaakt van tekst uit H. Moll, Wat zegt Gods Woord over ...?, deel 3. Oostburg: W.J Pieters, z.j.
    Labels: (Bewerk labels)

    Bron van dit verslag heb ik via Google : http://www.christipedia.nl/Artikelen/J/Job_(bijbelboek)

      Geen opmerkingen:

      Een reactie plaatsen